
Jurisprudentie
AR5368
Datum uitspraak2004-11-04
Datum gepubliceerd2004-11-09
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/1955 WUV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-11-09
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/1955 WUV
Statusgepubliceerd
Indicatie
Afwijzing van het verzoek tot erkenning als oorlogsgetroffene. Is het verblijf van betrokkene bij zijn pleegouders in Nederland niet aan te merken als onderduik in de zin van de Wet?
Uitspraak
03/1955 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser] wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 28 februari 2003, kenmerk JZ/K60/2003/0132, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit is namens eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend, als nadien schriftelijk aangevuld onder inzending van nadere stukken.
Het geding is, gevoegd met het geding tussen eiser en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad onder nr. 03/1954 WUBO, behandeld ter zitting van de Raad op 23 september 2004.
Aldaar is eiser verschenen bij zijn gemachtigden [naam gemachtigden], terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser, geboren in 1937 te Wenen als kind van een joodse moeder en een onbekende vader, heeft in juli 2001 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering als vervolgde in de zin van de Wet. Dienaangaande heeft eiser aangevoerd dat hij in 1939 als joods kind naar Nederland is gebracht om vervolging in Oostenrijk te ontlopen en na de Duitse bezetting van Nederland bij en via zijn pleegouders ondergedoken is geweest.
Deze aanvraag heeft verweerster bij besluit van 11 oktober 2002, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen. Daartoe is overwogen dat het verblijf van eiser bij zijn pleegouders in Nederland niet kan worden aangemerkt als onderduik in de zin van de Wet, in aanmerking genomen dat hij gedurende de oorlog onder zijn eigen naam woonachtig was bij zijn pleegouders en als zodanig ook officieel geregistreerd stond, alsmede dat hij gedoopt was en een Christelijke school heeft bezocht. Daarbij is nog aangetekend dat, in tegenstelling tot hetgeen het rapport van bevinding van het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis (NRK) vermeldt, de registratie van eiser bij de Joodsche Raad niet zonder meer betekent dat eiser voljoods was.
In beroep is deze visie namens eiser bestreden. Hiertoe is aangevoerd dat de omtrent eiser bekende gegevens, samen en in onderling verband bezien, het zeer aannemelijk maken dat eiser tenminste gedurende de periode tot medio 1943 - toen zijn pleegmoeder officieel tot zijn voogdes werd benoemd - aan een duidelijk risico van deportatie als joods kind heeft blootgestaan. In dit verband is erop gewezen, samengevat:
- dat eiser, blijkens de aanwezige geboorteakten, evenals zijn in 1932 geboren broer en zijn in 1933 geboren zus bij zijn geboorte als joods kind werd geregistreerd bij de joodse gemeente in Wenen; eiser is ook besneden;
- dat niet alleen de joodse moeder van eiser - in 1941 zoals is gedocumenteerd - werd gedeporteerd, maar ook de genoemde broer en zus van eiser;
- dat eiser blijkens een voorhanden aanmeldingsbewijs in september 1941 ingevolge de Verordening No. 6/1941 van de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied, betreffende de aanmeldingsplicht van personen van geheel of gedeeltelijk joodse bloede, is aangemeld bij de gemeente Haarlem;
- dat het paspoort van eiser, naar blijkt uit documenten terzake van de Joodsche Raad voor Amsterdam, in april 1942 werd ingeleverd bij de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung in de Euterpestraat te Amsterdam met het oog op een “uitreisvergunning”;
- dat, blijkens de registratie bij de Joodsche Raad en de door verweerster nader overgelegde gegevens uit het zogenoemde Calmeyerdossier, door de bezetter een onderzoek is ingesteld naar het aantal joodse grootouders van eiser, waartoe een verzoek om informatie werd gericht aan de autoriteiten te Wenen, maar dat dit onderzoek niet tot enige beslissing heeft geleid;
- dat nergens uit blijkt dat eiser gedurende het onderzoek een zogenoemde Sperr had ter vrijwaring van deportatie.
Ook naar het oordeel van de Raad is op grond van het geheel van de aanwezige gegevens aannemelijk dat voor eiser tenminste in de jaren 1942 en 1943 een duidelijk en reëel risico van deportatie heeft bestaan. De Raad laat hierbij met name zwaar wegen hetgeen met eisers moeder en - naar namens verweerster ter zitting uitdrukkelijk niet is betwist - met eisers broer en zuster is gebeurd; deze informatie had op eenvoudige wijze ook in Nederland bij de Duitse bezetter bekend kunnen worden. Het namens verweerster ter zitting gestelde dat geen gevallen bekend zijn waarin hangende een afstammings-onderzoek tot deportatie is overgegaan heeft in dit licht - nog daargelaten dat het hier om een constatering achteraf gaat - niet de betekenis die verweerster daaraan wenst toe te kennen.
Aangenomen moet voorts worden dat eiser tenminste gedurende genoemde periode ondergedoken moet zijn geweest om aan vrijheidsberoving te ontkomen. Voorzover hierover enige twijfel zou kunnen bestaan mag deze onder de gegeven omstandigheden niet ten nadele van eiser worden uitgelegd.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de vaststelling dat eiser vervolging heeft ondergaan in de zin als bedoeld in artikel 2 van de Wet. Het bestreden besluit, dat aldus in strijd met dit artikel is genomen, kan derhalve niet in stand blijven.
De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om verweerster te veroordelen in de kosten van eiser, welke zijn begroot op € 11,08 als reiskosten van eisers gemachtigde.
Van andere kosten is de Raad niet gebleken.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit zal nemen met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiser het in dit geding betaalde griffierecht ad € 27,-- vergoedt;
Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 11,08, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 november 2004.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) L. Karssenberg.
HD
19.10

